Blog: Anders Schinkel over het belang van een visie op opvoeding en onderwijs in het Antropoceen

In een ogenblikkelijk beroemde toespraak voor het World Economic Forum vatte de toen 15-jarige Greta Thunberg de klimaatproblematiek samen met de woorden: “Our house is on fire.” Ze eindigde haar toespraak met een heel directe oproep aan volwassenen om te handelen:
Adults keep saying: ‘We owe it to the young people to give them hope.’ But I don’t want your hope. I don’t want you to be hopeful. I want you to panic. I want you to feel the fear I feel every day. And then I want you to act. I want you to act as you would in a crisis. I want you to act as if our house is on fire. Because it is.

De klimaatproblematiek – en de bredere milieu- en energieproblematiek waar deze onderdeel van is – is naast een politiek, moreel, economisch, sociaal, en levensbeschouwelijk vraagstuk ook een pedagogisch vraagstuk: de vraag hoe opvoeding en onderwijs er in het Antropoceen uit zouden moeten zien, in deze tijd waarin de mensheid een onmiskenbare en problematische invloed uitoefent op de aarde en haar bewoners, is een vraag die veel meer aandacht verdient dan hij tot nu toe gekregen heeft. Ik hoop daar in de komende jaren aan bij te dragen. Maar voordat volwassenen naar opvoeding en onderwijs kunnen kijken moeten ze eerst naar zichzelf kijken, zoals Thunberg vraagt hen te doen.

Maar in de ogen van sommige volwassenen is het allemaal niet zo erg als Thunberg hen wil doen geloven, en zijn haar uitspraken een typisch voorbeeld van modieus alarmisme en doemdenken. In Trouw (De Verdieping) van dinsdag 11 juni kreeg journalist Arjen van der Ziel twee hele pagina’s de ruimte om een slaapliedje te zingen voor mensen die zich weliswaar zorgen maken over de klimaat- en milieuproblematiek, maar vooral ook voor de gevolgen van eventuele milieumaatregelen voor hun manier van leven. De teneur van zijn stuk was duidelijk: het moet niet te radicaal worden – en dat hoeft ook helemaal niet, want met gematigde (technologische) oplossingen komen we er vast wel. De meer radicale voorstellen, zo leren we, komen van doemdenkers en onheilsprofeten, mensen die het aan een nuchter vertrouwen in wetenschap, techniek en vooruitgang ontbreekt.

Wat een retorische lariekoek allemaal, en wat een schadelijke boodschap om in deze tijd de wereld in te sturen! Het laatste wat we op dit moment nodig hebben is iemand die een demper zet op de toch al gebrekkige actiebereidheid die er in de samenleving en de politiek leeft. Het is daarom van belang om te zien wat er allemaal misgaat in Van der Ziels betoog. Dat is veel, maar ik zal mijn bezwaren concentreren onder drie kopjes; en in de vierde en laatste paragraaf betoog ik dat het tijd wordt om onze gangbare ideeën over wat ‘extreem’ en wat ‘gematigd’ is herzien. 

1. Valse retoriek

Terwijl Van der Ziel zelf betoogt dat we ons vertrouwen in de wetenschap niet moeten opgeven, gooit hij waarschuwingen van wetenschappers, zoals recentelijk het rapport over (de afname van) biodiversiteit van het VN-panel IPBES, op één hoop met die van cyberactivisten die ‘waarschuwen voor de naderende tenondergang van democratische samenlevingen door toenemende digitale controle’ en ‘radicaal-rechtse nationalisten’ die ‘verkondigen dat de hele westerse beschaving gaat bezwijken door moreel verval en immigratie’. Chemicus Robert Watson, die het IPBES leidt, wordt om onduidelijke redenen omschreven als een ‘bebaarde Britse academicus’, en wordt geplaatst in het gezelschap van (klimaatscepticus) Thierry Baudet en andere onheilsprofeten. In het midden van het artikel merkt Van der Ziel nog wel even op ‘de ene onheilsprofetie de andere niet is’ en dat klimaatverandering ‘terechte zorgen baart’, maar ondertussen zijn serieuze, wetenschappelijk onderbouwde zorgen gevoelsmatig allang als een vorm van hysterie weggezet. 

2. ‘Verklaring’ voor doemdenken 

Kennelijk onder de indruk van een recent boek van historicus Ronald Havenaar (dat mogelijk zeer de moeite waard is, daar kan ik geen uitspraak over doen) biedt Van der Ziel ons een evolutionaire verklaring voor doemdenken. Hij geeft ons de woorden door van wetenschapsfilosoof Maarten Boudry die erop wijst dat het voor onze voorouders loonde om hyperalert te zijn op mogelijke gevaren, en citeert evolutionair psycholoog Steven Pinker die stelt dat angstzaaiers eerder ‘als serieus en verantwoordelijk worden gezien, terwijl mensen met een wat gematigder kijk op de zaken als zelfvoldaan en naïef worden beschouwd’. Het klinkt allemaal heel aannemelijk, maar het bewijst natuurlijk helemaal niks. Er zijn namelijk nog wel wat andere dingen te noemen waarvoor een even aannemelijke evolutionaire verklaring gegeven kan worden, en die ons juist meer reden geven om te onderzoeken of er niet misschien wat ‘radicalere’ maatregelen nodig zijn: hoe mensen omgaan met cognitieve dissonantie bijvoorbeeld (‘ik ben heel milieubewust, dus het kan toch niet zo zijn dat hoe ik leef echt problematisch is’), hoe mensen in het algemeen met onwelgevallige informatie omgaan, en last but not least de sterke menselijke neiging om op de korte termijn te denken (of het onvermogen om op de lange termijn te denken). Het retorische effect van een ‘verklaring’ voor ecologisch doemdenken is ondertussen dat de lezer niet meer hoeft na te denken over wat die ‘doemdenkers’ eigenlijk zeggen en of dat goed gefundeerd is; in plaats van redenen voor hun standpunten komt immers een verklaring, en bovendien een die suggereert dat er sprake is van een vertekening in hun denken. Maar zoals ik zojuist suggereerde kan Van der Ziels neiging om met zo’n verklaring te komen zelf evenzeer (evolutionair) verklaard worden; heel zinvol is dat allemaal niet, we kunnen beter naar de inhoud van de standpunten kijken. 

3. Vertrouwen in vooruitgang, wetenschap en techniek 

Afgezien van het feit dat Van der Ziels vertrouwen in de wetenschap nogal selectief is (geen vertrouwen in de Club van Rome en het IPBES-rapport over biodiversiteit, wel in het werk van rasoptimist Steven Pinker – geen baard, wel een mooie krullenbol), zijn nog een paar kritische kanttekeningen hier op zijn plaats: ‘vertrouwen in vooruitgang’ is een andere term voor vooruitgangsgeloof – maar vooruitgang is geen natuurwet en ook geen historische wetmatigheid, het ‘is’ niet iets in de wereld waar je vertrouwen in kunt hebben, maar het is een idee, beter gezegd een mythe en seculier heilsgeloof, een slaapliedje voor volwassenen die, als ze het zonder moeten stellen, nare dromen krijgen. ‘Vertrouwen in wetenschap en techniek’ dan: bedoelt Van der Ziel diezelfde combinatie van krachten die ons de atoombom heeft opgelevert, de ‘groene revolutie’ van na WOII (die met pesticiden, kunstmest en monoculturen opbrengsten op korte termijn heeft laten prevaleren boven duurzaamheid van de voedselvoorziening), de ongekend vervuilende oliewinning uit teerzanden, en weet ik welke industrieën? De combinatie die onze economische groei zozeer heeft bevorderd dat onze economie de aarde in zekere zin ontgroeid is (er zijn inmiddels immers meerdere aardes nodig om blijvend in onze huidige ‘behoeftes’ te kunnen voorzien)? 

Maar nu verval ik natuurlijk in alarmisme, in ‘doemdenken’; Van der Ziel zou zeggen dat ik wel heel selectieve voorbeelden geef van wat wetenschap en techniek vermogen als ze de handen ineenslaan. Hij heeft het immers zelf ook over hernieuwbare energie, over windmolens op de Noordzee. Zoals gezegd ziet hij ook wel klimaatverandering ‘terechte zorgen baart’. Gelukkig! En wat fijn dat er ‘de laatste jaren dan ook allerlei afspraken gemaakt [worden] over beperking van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen’ – want afspraken, zo weten we inmiddels na acht klimaatconferenties in elf jaar, daar koop je wat voor. Lang leve de gematigden, die ons uit de problemen praten! 

Of toch niet? Of was het nu zo dat de CO2-uitstoot al die jaren, ook sinds het klimaatakkoord van Rio de Janeiro in 1992, vrolijk gestegen zijn? En dat klimaatdoelstellingen nergens ter wereld gehaald worden? En dat Europa het qua uitstoot nog relatief goed lijkt te doen, alleen maar omdat de CO2-uitstoot die met de productie van geïmporteerde goederen gepaard gaat in de productielanden meetelt, niet waar de goederen geconsumeerd worden? 

4. Normaal extremisme 

Zou het misschien kunnen dat ‘gematigdheid’ onderdeel van het probleem is? Wat als ‘gematigde’ mensen niet door hebben hoe extreem wat zij normaal vinden eigenlijk is? Laten we eens een paar ‘normale’ dingen op een rijtje zetten – dingen die we gewoon vinden, of tenminste accepteren als nu eenmaal nodig voor onze manier van leven, of als een prijs die we nu eenmaal moeten betalen. We kijken er niet van op als mensen de halve aarde overvliegen voor een weekendje of zelfs een dagje shoppen in New York, en dat je voor de prijs van een spijkerbroek naar Barcelona op en neer kunt vliegen. Dat moet allemaal kunnen, dat is hoe we vrijheid uitleggen. Een tweede voorbeeld: volgens cijfers van de Verenigde Naties uit 2017 steeg de jaarlijkse consumptie van kip(pen) wereldwijd van ca. 7 miljard in 1961 naar ruim 62 miljard in 2014; in 2015 werden verder bijna 650 miljoen kalkoenen gegeten en ca. 2,7 miljard varkens, runderen, schapen en geiten. Samen dus 65 miljard dieren die veelal op industriële wijze worden vetgemest en geslacht voor een product dat verreweg de meeste mensen niet nodig hebben om gezond en lang te kunnen leven. (En dan hebben we het nog niet over, bijvoorbeeld, de ruim drie miljard haantjes die jaarlijks levend versnipperd of vergast worden omdat ze geen eieren kunnen leggen en ongeschikt worden bevonden als vleeshaantjes, of het regenwoud dat gekapt wordt om veevoer te kunnen verbouwen.) Een derde voorbeeld: terwijl zonder menselijke invloed het omgekeerde te verwachten zou zijn, zijn gletsjers en de ijskappen rond de polen aan het smelten, evenals de permafrost, waar enorme hoeveelheden broeikasgassen (nog) in opgeslagen liggen. En wat doen Rusland, de VS en andere landen? Die wrijven zich in de handen en militariseren het Noordpoolgebied, want hier liggen nieuwe mogelijkheden voor olie- en gaswinning! Maar goed ook, want onze energiebehoefte blijft stijgen – bijvoorbeeld door nieuwe, handige vormen van online shoppen: kun je kleding niet passen? Geen probleem, laat gewoon meerdere maten bezorgen en stuur de rest weer terug naar waar het ook vandaan kwam! Kort samengevat: we vinden het ‘normaal’ dat we kunnen doen waar we zin in hebben en ons verder niet druk hoeven te maken over wat daarvoor nodig is of wat de gevolgen zijn – wat er achter de schermen van onze beschaafde, gematigde wereld gebeurt. 

Als dit allemaal normaal is, wordt het tijd dat we gaan inzien hoe extremistisch we zijn. En dat wat we nu als ‘extreme’ of ‘radicale’ voorstellen voor een duurzamere economie bestempelen gezien gaan worden voor wat ze zijn: volkomen terechte en gezonde pogingen om een realistisch, passend antwoord te geven op de situatie zoals hij is. Wetenschappelijk geïnformeerd, maar zonder ‘kinderlijk’ (is dat wel een eerlijke term?) vertrouwen in vooruitgang of technologische oplossingen. Van der Ziel meent dat we gevaren beter als ‘oplosbare problemen’ kunnen zien. Mij lijkt dat dat er maar vanaf hangt; niet alles is een ‘oplosbaar probleem’, een obstakel dat je opruimt, zodat je je weg kunt vervolgen. Soms moet je van koers veranderen. Soms moet je zelf veranderen. 

Anders Schinkel is Universitair Hoofddocent Theoretische Pedagogiek/Filosofie van Opvoeding en Onderwijs, Faculteit der Gedragswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam